De Jas, interview met JVED

18 Apr 2013

Interview door Dieuwertje Mertens

Rubriek In de Jas, De Brug, April 2013

Architect Jan van Erven Dorens ontwerpt regelmatig voor Amsterdam-Oost. Zo ontwierp hij meerdere huizen op IJburg, waaronder zijn eigen huis op Steigereiland waar hij met zijn vrouw en drie kinderen woont. En hij schrijft regelmatig over architectuur voor de Brug. Hij merkt dat hij de afgelopen jaren een ontwikkeling heeft doorgemaakt als architect. Of misschien eerder een ‘mentaliteitsverandering’ zoals hij het zelf graag noemt.

Is het arsjitect of argitect?

“De beste architecten zeggen argitect, maar ik zeg arsjitekt, op z’n Frans. Elitair eigenlijk.”

Wanneer wist je dat je architect wilde worden?

“Ik wist niet wat ik wilde worden toen ik van school kwam, ik had tijd nodig. Mijn grootvader was architect, en een grote inspriratiebron. Maar ik wilde niet naar Delft om bouwkunde te studeren, ik wilde naar Amsterdam, zoals een Fransman naar Parijs wil. Ik studeerde economie maar in plaats daarvan liep ik eindeloos door de stad. De grote stad fascineerde me. Ik nam de metro naar De Bijlmer en zag hoe een parkeergarage als Afrikaanse markt werd gebruikt. Daarnaast schilderde ik, ik wilde iets maken. Door het schilderen werd ik me ervan bewust dat ik een creatief beroep wilde. Na twee jaar in Amsterdam ben ik bouwkunde in Delft gaan studeren.

Je geeft aan dat je beïnvloed bent door de jaren tachtig, het deconstructivisme. Wat spreekt je zo aan in die stroming?

“De wildheid, de creativiteit. Het deconstructivisme is een vorm van architectuur die zich losmaakt van het modernisme, het functionalisme. Het modernisme heeft de wereld bevrijd van het traditionalisme, het deconstructivisme is hier een vervolg op: tegendraads, kritisch. Architecten hebben de neiging om te dienend te zijn, te veel bezig te zijn met het oplossen van problemen. De architect is ingenieur, maar ook kunstenaar. Met zijn gebouwen geeft hij betekenis, identiteit, aan de stad en zijn bewoners. Een gebouw maakt indruk op zijn gebruikers zoals een film of een kunstwerk indruk maakt.”

In een eerder interview, zei je: ‘Waarom teken ik niet alleen fantastische gebouwen? Ik conformeer mij aan de middelmaat.’

“Die neiging heb ik wel. Daarom werk ik aan mezelf. Van nature ben ik geen dwarsligger, maar ik heb geleerd dat het onmogelijk is iets goeds te maken als je niet vasthoudt aan je idee. Je moet durven ingaan tegen wat door de meerderheid goed gevonden wordt. Compromissen in de architectuur leiden tot middelmaat. Je leeft maar één keer. De schetsfase duurt een maand, de uitwerking soms wel drie jaar. Dan moet ik drie jaar bezig zijn met een middelmatig ontwerp. Ik zet liever een fantastisch gebouw neer. Ik las een boek van Stephen King, On Writing. Schrijven is bij hem nooit een invuloefening, hij schrijft niet plot driven, hij weet niet wat er uit gaat komen. Een goede architect is nieuwsgierig, een ontwerp mag nooit een invuloefening zijn. Als architect moet je een vorm durven maken, geen geschuif met dozen, dat nooit. Ik heb geleerd om een artistiekere invulling aan mijn vak te geven. Ik ben steeds eigenwijzer geworden.”

Je hebt je eigen huis ontworpen op IJburg, de droom van iedere architect. Wat rest je nu nog aan woonambities?

“Als ik nog een keer de kans krijg, wordt het ontwerp wilder.” Hij pakt de maquette van zijn huis aan de Cornelis Zillesenlaan erbij. “Eigenlijk wilde ik een gat in de gevel maken, alsof er een granaat doorheen was gegaan, een Sarajevo-huis, zeg maar. Mijn vrouw was tegen, dus ik heb het niet gedaan. Maar wellicht grijp ik mijn kans bij een volgend huis. Nu ben ik bezig met het ontwerp van onze keuken, waarin alles beweegbaar moet zijn. Die keuken moet uniek zijn, ik wil niets normaals hebben, geen slap aftreksel. Dan liever geen keuken.”

Dat tegendraadse, is dat een familietrekje?

“Het is misschien meer een vorm van geldingsdrang. Soms denk ik: waarom ben ik eigenlijk geen popster geworden? Dan had ik ook een geweldig leven gehad. Ik heb sterk de behoefte om een stempel op deze wereld te drukken. Dat heeft Beau inderdaad ook.”

Is het nooit vervelend om ‘de broer van Beau’ (televisiepresentator, red.) te zijn?

“Ik heb er alleen maar plezier van. Als ik mij voorstel tijdens een vergadering, onthoudt iedereen wie ik ben. Maar dat is niet de enige reden: Beau is ook inspirerend. Hij laat zich niet leiden door negativiteit. Hij heeft ambitie en hij is creatief, hij heeft het zo’n beetje uitgevonden. Nee, Beau, mijn oudste broer Pieter en ik hebben nooit strijd. Wij helpen elkaar.”

Wat vind je van de jas?

“Ik zou hem kunnen dragen. Vroeger heb ik veel lammy coats gedragen.”

Link naar het artikel in De Brug